Ik had al eens geroepen dat meer dan tachtig kilometer lopen me gekkenwerk leek, dus ik deed het tocht. Conclusie 1; het is zwaar. Conclusie 2: ik ben blij dat ik het gedaan heb. Conclusie 3; ik houd het voortaan bij maximaal tachtig kilometer.
De Dodentocht van Bornem is ongeveer het Vlaamse equivalent van de Nijmeegse 4Daagse, maar dan als 100 kilometer binnen 24 uur. U zou zeggen: Awel, maar dat is toch dodelijk? Precies, daarom heet -ie zo. Waar in Nijmegen de uitval beperkt blijft, kijken ze in Bornem niet op als een kwart van de deelnemers de eindstreep niet haalt.
Onder normale omstandigheden zou ik nooit van Bornem hebben gehoord. Maar ik wandel, en kwam steeds het dreigende doodshoofd-logo tegen, en toen ik meer en meer mensen leerde kennen die ook lange afstanden wandelden, dook -ie in de gesprekken op. Of op lichamen, want ik heb al meerdere keren gezien dat iemand zowel het 4daagsekruis als de Dodentochtmedaille had laten inkten.
Dus kwam de Dodentocht ergens op mijn misschien-ooit-lopen-lijstje. Ik had meerdere Kennedymarsen gelopen, dus waarom zou ik dit niet kunnen? Maar het daadwerkelijk willen gebeurde pas toen dit jaar twee wandelmaatjes zeiden ‘m ook te willen lopen. Inschrijven bleek nog een kunstje; de tocht is in een paar seconden uitverkocht en ik veroverde een ticket met dank aan iemand die iets stipter om negen uur op inschrijven klikte.
De Dodentocht is niet per se dodelijk, wel loeiheet, extreem stoffig en verder ook niet per se mooi. Die eerste twee zijn de schuld van de huidige klimaatvernietiging. Een middagslaapje proberen te doen terwijl je levend gebraden wordt op je campingmatje, om vervolgens wat na te sudderen in het startvak waar het om negen uur ’s avonds nog steeds dertig graden is, heeft niet per se mijn voorkeur. Pas om drie uur s’nachts koelde het af tot acceptabel.
Dan Vlaanderen. Normaal gesproken is dat een bron van plezier voor de stiekeme liefhebber van alles wat architectonisch of planologisch treurig, merkwaardig of anderszins buiten de lijntjes is. Maar in al hun lelijkheid lijken al die Vlaamse dorpen vreselijk op elkaar; ‘waren we hier niet al?’ vroegen wandelmaat en ik elkaar bij het binnenlopen van de volgende straat vol bruinbakstenen fantasiehuizen. Hulde aan St-Amands, want dat was de spreekwoordelijke witte vlag op de modderschuit.
Vlamingen mogen dan geen meesters der planologie zijn, van lekker eten hebben ze wel verstand. De tocht bestond zodoende uit cola, rijsttaartjes, Chocomel (pardon, Cecemel), suikerwafels, bananen, diverse kleurtjes sportdrank, bouillon, zoute koekjes, broodjes omelet, thee en een goed bord pasta voor wie dat had ingekocht. De thee was niet te zuipen, de rest overheerlijk. Op de camping zorgde de scouting voor borden pasta, hamburgers, een ontbijtbuffet en bier, heel veel bier.
Maar 100 kilometer is ver, heel ver. Zeker bij voorgenoemde hitte, gebrek aan slaap, en dat in combinatie met niet altijd even goed terrein. Zandpaden werden zandbakken die de lopers hulden in wolken stof. Wandelmaat en ik gokten dat we eruit zagen als mummies zonder windsels. Nog zwaarder waren de kasseienwegen, hevig verzakt, met klinkers die de toch al gemartelde voetzolen onder handen namen. Soit, er waren ook asfaltwegen, en die liepen lekker weg. Tot Puurs dan.
In Puurs stond Maurits op me te wachten, met chips, cola en een knuffel. Ik had 84 kilometer afgelegd, een royale Kennedymars, geen onbekend terrein. Ik was moe, maar ik was er nog niet.
De klap kwam na Puurs. Moe, zere voeten, zere rug, eigenlijk alles zeer en vooral de kilometers die zich tot het uiterste vertraagd onder mijn voeten doortrokken. De zon brak weer door om de wandelaars verder gaar te stoven, de natte handdoek in de nek was weer hard nodig. Wandelmaat en ik mopperden dat we er wilden zijn en dat we alleen maar doorliepen voor de medaille. Zelfs onze melige grappen waren op.
Er was weer een zandpad, een warm bos, Oppuurs, een laatste rustpost, Bornem dat veel groter is dan je denkt, en bij de laatste kilometer stond Maurits juichend voor de camping. ‘Wat doe jij enthousiast’, zei wandelmaat. Bij de finish was daar de medaille, de goodiebag, koude blikjes alcoholvrij bier. We omhelsden elkaar en beloofden plechtig dat we het voortaan bij Kennedymarsen zouden houden. En als een van ons toch plannen zou maken voor een langere afstand, mag de ander ingrijpen.
Op de camping volgden nog meer felicitaties, mijn slaapmat, daverende spierkramp, de douche, eten en weer mijn slaapmat. ‘Ik ga nog wat lopers aanmoedigen’, zei Maurits. Pas later kwam ik erachter dat hij met wat andere mensen van de camping keihard ‘You never walk alone’ heeft staan brullen voor de laatste voortstrompelende lopers. En gelijk heeft -ie.
Geef een reactie