Ook al liggen Leiden en Zoeterwoude hemelsbreed maar een paar kilometer uit elkaar, de fietstocht naar werk is er onverwacht mooi op geworden. Ik had niks te klagen met mijn ritjes langs de Rijn-Schiekanaal, maar scholeksters die je om de oren suizen is toch andere koek. Dat het altijd waait in de polder, en verdacht vaak tegen, maakt niet meer uit als de vroege lentezon rozerood boven de Nieuwe Driemanspolder hangt.
Vroeger had ik grofweg twee opties. De eerste was via Voorschoten en Leidschendam, druk verkeer, smalle fietspaden, een route die echt alleen aantrekkelijk was in tijden van winterse kou, want strooiroute en prima verlichting. Het alternatief was beter. Brug over en langs het Rijn-Schiekanaal tot Leidschendam, en daar doorsteken naar Leidschenveen, de zielloze Haagse buitenstebuitenwijk waar ik werk. Het betekende tien van de dertien kilometer buitenaf, boerderijen links, kanaal rechts en op de terugweg omgekeerd. Ooievaar op het nest, eendjes in het water, reiger langs de kant. Af en toe een fazant of de egel du jour, meestal in formaat pizza. Wakker worden op de trappers en terug de werkdag wegtrappen. De meeste goede ideeën kwamen en komen op de fiets.
Fietsen vanuit Zoeterwoude-Dorp biedt meer opties, ook al door het netwerk aan kerke- en andere paden dat door de polder loopt. Meestal breed genoeg om een tegenligger te laten passeren, mits die tegenligger een welwillende fietser of wandelaar is. Strooiroutes kan ik vergeten, een wens om verlichting dwingt me over de hevig verzakte klinkerweg door Stompwijk te rijden, maar voorlopig is dat niet aan de orde.
Na een maandje had ik een voorkeursroute. Dorp uit over ’t Watertje, de Zuidbuurt door, daar ’t brugje over en dan afslaan richting de Meer- en Geerweg om door de Nieuwe Driemanspolder Leidschenveen binnen te rijden. Ruim elf kilometer, en overladen met hazen, ooievaars, kievieten, ooievaars, buizerds, torenvalken, grutto’s, scholeksters en een keur aan eenden-, zwanen-, ganzen- en reigersoorten, alsmede allerlei klein gepiep in de rietkragen.
De lente brak niet eerder met zulk spektakel aan. Rammelende hazen, meestal met z’n drieën, waarvan een van de mannetjes het onderspit delfde, terwijl het vrouwtje de vacht nog eens oppoetste. De eerste ooievaar, de eerste grutto, de eerste looping van een kievit. En toen ik dacht dat één zwaluw nog geen lente maakte had ik opeens tien boerenzwaluwen om mijn hoofd vliegen. Elke keer nam ik me voor nu eens zonder stoppen naar werk te fietsen, elke keer mislukte het.
Vanaf het dorp gezien bestaat het eerste deel van mijn route uit autoweg, het soort autoweg waar je elkaar niet kunt passeren zonder royaal bermgebruik en dat vergezeld gaat van bordjes over alleen bestemmingsverkeer. Er is ongelofelijk veel verkeer dat de Zuidbuurtseweg als bestemming heeft. Sterker nog, af en toe staan ze met de neuzen tegen elkaar op het bruggetjes, te wachten tot een van de twee ophoepelt, wat technisch gezien alleen kan via het water, of door de groeiende rij achter zich ook achteruit te laten rijden. Gelukkig heeft de brug een fietsstrookje, en staan mijn banden bermgebruik toe.
De wind speelt zijn eigen spel in het verhaal, maar daar was ik mee bekend. Die heb je mee, of die heb je tegen, en in deze regio moet je de voorspelling van het KNMI met een korrel zout nemen. Tel er een Beaufortje of een, twee bij op, rond het af naar boven en je hebt ongeveer je entertainment. Het is een mooie verklaring voor het hoge aandeel e-bikes in de fietsenkelder op werk. Je kunt er wat van vinden, zo’n hulpmotortje, maar beuk maar eens tegen windkracht zes in, om daarna nog een werkdag te draaien, zeker in de wetenschap dat er een prima busverbinding rijdt als alternatief. Maar in de bus zit je op je kont tussen je medeforenzen, op de e-bike rijd ik tussen de vogeltjes en de weilanden. Er staat trouwens nergens dat ik dat ding op vol vermogen moet opendraaien.
Straks wordt het mei, dan juni. Kikkers in de sloot, of in de snavel van de ooievaar natuurlijk, bloeiende bloemen in de wei. Ik kijk d’r naar uit. Laat mij maar fietsen.