Zoeterwoude 2
Het is belachelijk hoe snel je aan een dorp went, ook als alles in het dorp nog nieuw voelt. Nieuw huis ingericht, oud huis schoongeschrobt en over een paar dagen bezitten we nog maar één huis, voorwaar een geruststelling. We zijn Zoeterwoudenaars, Zouterwouwers, of Zoeterwoudsters, daar ben ik nog niet helemaal achter.
Het was de enige week winter in jaren en heel Nederland gleed pardoes onderuit in de sneeuw. Wij gingen verhuizen in een geleende auto zonder winterbanden. Overdag reden we op en neer, s’avonds durfden we dat niet aan in de vorst. Bovendien waren we überhaupt te moe om iets anders te doen dan Grand Tour kijken (de grijze koppen-versie van wat ooit Top Gear was), totdat de tv ook ingepakt was en we glazig naar een lege muur keken.
We verhuisden de paar kamerplanten die het met ons uithouden al voor de grote verhuizing. Ik zette ze in de vensterbank en nam een foto met het uitzicht op de besneeuwde kerk. Huis wordt thuis, appte ik. Dat ik op dat moment spierpijn van het schilderen had schreef ik er niet bij. We haalden lekkers bij de bakker en vraten een pak drop leeg, want dat mag als je verhuist. Er kwam een stroom vrienden helpen en ik ben ze eeuwig dankbaar.
We reden Leiden weer in over de Lammenschansweg, naar ons oude huis, schuivend in de grauwe sneeuwmassa. Als een grimmige poort torenden de ruien nieuwe flats boven ons uit, om ons heen de auto’s die in dezelfde file stonden. Winterjassen met fietsers en voetgangers er in wachtten in drommen tot hun verkeerslicht op groen zou springen. Toen we in ons oude huis gingen wonen stonden er geen flats, maar onduidelijke bedrijfspandjes, een kringloopwinkel en een halleluja-kerk, laagbouw in elk geval.
Terug in Zoeterwoude brak een waterig zonnetje door terwijl ik voor de driehonderdste keer naar de oudpapiercontainer liep, mijn armen vol Ikea-verpakking. Er stonden geen containers, want het was zondag, maar de zeecontainer achter het dorpshuis waar het papier verzameld wordt was wel open, en ik maakte kennis met de oud-papiervrijwilligers van deze week.
Na drie weken klussen, inpakken en uitpakken deden al onze spieren pijn en waren we in de lampjes- en schilderijtjesfase beland. Terwijl Maurits vrienden werd met de mensen van de kaasboerderij liep ik naar de bibliotheek om mijn Leidse pas te ruilen voor een Zoeterwoudse. De bibliotheek had met een beetje schuiven in onze nieuwe woonkamer gekund, die weliswaar groot is, maar niet bijzonder groot. ‘Je kunt blijven, Leiden is maar een half uur fietsen’, zei een stemmetje in mijn achterhoofd. Maar ik zag een boek van Hannah Bervoets dat ik nog wilde lezen, en daarna vulde ik een formulier in. Over twee dagen zou mijn pas klaarliggen.
Die lampjes- en schilderijtjesfase mag nog best even duren, want we kunnen geen schroevendraaier meer zien. In een broek met verfstrepen en ongekamd haar liep ik naar de bakker. Morgen zouden we weekend hebben, uitslapen en ontbijt met verse broodjes. ‘Hoohoi!’ klonk het toen ik de winkel in stapte, maar ik kreeg een vriendelijke blik, herkenning. Ik had de dame achter de toonbank maar vijf minuten gesproken, dagen terug bij de papiercontainer, en ik voelde me opeens alsof ik het eerste stukje van mijn inburgeringsdiploma binnen had. Daarna gleden mijn handen door mijn haar, in de hoop dat er nog iets te redden was aan de statische coupe kokosnoot.
Ineens wist ik weer hoe een dorp moest; nooit met ongekamde haren naar de bakker.