Het langlaufen zou niet plaatsvinden in Zwitserland, maar in Oberhof, ergens halverwege Duitsland. Geografisch gezien niet heel logisch, voor ons wel. Voor iemand die beweert niet stil te kunnen zitten houd ik het best lang vol in een treinstoel. Misschien juist wel in een treinstoel.
De dag begint met een wekker om half zeven. Dat had nog vroeger kunnen zijn, maar Maurits is er in geslaagd een route uit te puzzelen die redelijk vertragingsvrij zou kunnen zijn, met alle slagen om de arm de bij treinreizen door Duitsland gewenst zijn. We schuiven onze spullen in onze rugzakken, zeggen onze reisgenoten gedag en halen koffie, thee, en vooruit, nog twee stukken kaastaart bij de bakker. Met de warme bekers in onze handen schuifelen we door de verijsde straatjes van Bergün.
We kopen losse kaartjes naar Sankt Margrethen, omdat een vak landencoupons door Zwitserland duurder is. Ik mag op half geld, want mijn FIP-kaart geldt als een Zwitsers halbtax-abonnement. Voor wie de hogere treinreiskunde nu al duizelt; ik deel mijn leven met iemand die dit soort dingen fluitend uitpuzzelt en ik vermoed dat ik daar voordeel bij heb.
Het rode treintje naar Chur rijdt precies op tijd het station binnen. Het heeft een rijtuig gewijd aan zusterspoorlijn de Hakone-railway, waar we in 2018 waren, dus stappen we daar in. Met uitzicht op de spectaculaire bergen in diepvries-stijl eten we onze ontbijtpakketjes van het hotel op. De dikke plakken zuurdesembrood met kaas en spek en de zoete appeltjes smaken wonderbaarlijk lekker.
In Chur stappen we over naar Sargans, waar de trein naar Sankt Margrethen klaarstaat. Die rijdt lekker niet als Regionalbahn, maar onder de vlag van de nationale spoorwegen. Dat was niet de bedoeling. Navraag leert dat onze regionale kaartjes in de trein van een half uur later wel geldig zijn. Die speling hebben we, dus kopen we vast losse kaartjes voor het Oostenrijkse deel van de reis en wachten daarna in bijzonder prikkelarme atmosfeer op de volgende trein. Het station is gebouwd in de Zwitserse mooi-beton-is-niet-lelijk-stijl, en voor de beangstigende mogelijkheid dat er iets vies zou kunnen worden staan op het perron schoonmaakkarretjes klaar. In de bergen verderop kijken we Liechtenstein in, maar om ons heen zijn vlakke weilanden, grauwgekleurd in de winter, ondanks dat het hier niet vriest. Onze stukken kaastaart zullen de Duitse grens niet halen.
In Sankt Margrethen pakken we de Eurocity naar München. Omdat we alleen Oostenrijkse kaartjes voor de tweede klas konden krijgen drinken we koffie en thee in de restauratiewagen met uitzicht op de Bodensee, die zich in ijle pasteltinten hult. Als we Duitsland binnenrijden zijn de mokken leeg en verkassen we naar onze eersteklasfauteuils, vijf meter verderop. De bergen zijn weg, het landschap is bijna vlak en steeds vaker besneeuwd. Omdat we in Duitsland zijn lopen we vertraging na wat stilstaan tussen stijfbevroren weilanden.
Het station van München is hevig in verbouwing en terwijl Duitse stations doorgaans een hoog vreetschuur-gehalte hebben kunnen we geen kiosk vinden. Veel tijd om te zoeken is er ook niet, want de ICE die ons naar Nüremberg moet brengen rolt binnen. De trein zit mudvol en wij hebben geen reservering, maar met een beetje geluk vinden we plaatsen in de eerste klas. Om niet al te erg uit de toon te vallen klap ik mijn laptop open en schrijf verder aan mijn verslag. Daarna klap ik mijn e-reader open. Onderweg is altijd tijd voor een goed boek.
Het perron in Nüremberg is stampvol, alsof ook hier een volksverhuizing op til is. Op de borden staan minuten stilte voor Serkan C. aangekondigd, een Duitse spoorwegmedewerker die een paar dagen geleden door geweld om het leven werd gebracht, wat voor ons te onbegrijpelijk en woedendmakend is om er op te reflecteren.
Onderweg naar Erfurt val ik in slaap. Als ik wakker word vloeien buiten een dik pak sneeuw en een dikke mistsoep zo naadloos in elkaar over dat alles wit is. Maurits puzzel opt de tickets. Onze volgende trein is de regionale trein naar Zella-Mehlis, geen werkje van DB deze keer. Een ticket zou twintig euro per persoon voor veertig minuten treinen moeten kosten. Er bestaat een hopper-ticket voor 8,50, maar daar kun je maar vijftig kilometer op reizen. Wij moeten vier kilometer verder. Maurits splitst de tickets tot het eerste station na Erfurt, en heeft even later twee losse enkeltjes tot dat station plus de hoppertickets op zijn telefoon staan. Besparing: zestien euro, toch vier biertjes in deze contreien en een paar nieuwe punten verdiend voor het behalen van de graad in de hogere treinreiskunde.
De boemel naar Z.-M. heeft de uitstraling, het comfort en de verwarming van een magnetron. Hij zit mudvol, maar dat is pas logisch als ik me realiseer dat het een gewone woensdagse avondspits is. Sneeuwbestendig is hij in elk geval wel. In Z.-M. Ligt zoveel sneeuw dat men in Nederland subiet code rood zou uitvaardigen. Onze bus naar Oberhof gaat over veertig minuten. Een taxi is een optie. De enige aanwezige taxichauffeur meldt dat hij op klanten wacht, en dat we een rit moeten aanvragen bij de centrale, wachttijd dertig minuten.
Een half uur later stappen we in de bus die naar Oberhof zigzagt. De mist is alleen maar dikder geworden. Waarschijnlijk is het hier een lokale sport om de arme buschauffeur te verblinden met mistlichten, want hij lijkt het gewend en rijdt dapper door. Van Oberhof zien we alleen de gevels, meer sneeuw en de straatlantaarns, met daaronder dik ingepakte mensen als spoken in de ijsmist. We zijn er, met in totaal een uur vertraging, voorwaar niet gek in Duitsland.