Omdat we het niet kunnen laten slapen we vanavond weer op een schip, maar dit is echt het allerlaatste van de vakantie. Het einde van de vakantie komt nu echt dichtbij. Maar eerst waren er nog wat uurtjes in een Zweedse stoptrein.
Gisteravond had ik keelpijn. Ik was niet verkouden, maar had hooikoorts. De lente heeft ons ingehaald, en terwijl ik dit schrijf prikken mijn neus en ogen en hoop ik dat dit gedeelte van de lente in Nederland inmiddels voorbij is. Keelpijn of niet, we aten een hapje in de stad en gingen vroeg slapen. Tot zover de twee veertigers op een zaterdagavond in Stockholm.
Om zeven uur staan we weer naast ons bed. Prima ritme voor komende week, dan moet dat tenslotte ook. We pakken de rugzakken, die inmiddels voornamelijk uit vuile was bestaan, en ontbijten weer bij de bakker op de hoek. Op het station halen we nog wat koffiebroodjes (want Zweden) en fruit voor onderweg en stappen in de trein naar Göteborg.
Nou gaan er vanuit Stockholm sneltreinen naar Göteborg, maar wij hebben de stoptrein. Vanwege het formaat van Zweden kachelt het ding nog steeds met zo’n 200 kilometer per uur tussen de bossen en rode huisjes door, en hij stopt beslist niet bij elke boom. Dat zou in Zuid-Zweden ondoenlijk zijn.
Het landschap is precies zoals je zou verwachten; houten huizen, afgelegen boerderijen, af en toe een dorpje en verder heel veel weilanden, meertjes en bos. Alles ziet er uit alsof het vers onder de sneeuw vandaan is getrokken ,alleen de sparren zorgen voor wat groen. Maar het is opnieuw prachtig. We komen langs plaatsen die klinken als een meubel uit de Ikea-catalogus, en die ons steeds weer verrassen met houten huisjes, oude kerkjes of schattige beekjes.
Maurits boekt alvast het avondeten aan boord en grinnikt.
“Jij hebt iets geregeld.”
“Wacht maar.”
We hebben een paar uurtjes om wat door Göteborg te slenteren. We waren er al eens eerder en het is eerlijk gezegd best een aardige stad, maar tegen de schoonheid van Stockholm steekt Göteborg wat bleekjes af. Gezellig is het wel. De zon schijnt fel en het is een paar graden boven nul; de Zweden pakken hun eerste terrasje. Wij kiezen toch maar voor een drankje binnen en pakken daarna de tram naar de haven.
Maurits heeft nog steeds niet verteld wat hij heeft geboekt, dus ik raad nog maar wat.
“Een bos rozen?” “En dat morgen meeslepen in de trein.”
“Roze champagne?” “Bier is lekkerder.”
“Een eekhoorn?” “Ja, een die met nootjes jongleert.”
In de vertrekterminal is het nogal rustig. Ook deze verbinding zal wel weer gebaseerd zijn op drankverkoop, vrachtvervoer en zomervakantiegangers, mijmer ik, en zie dat mijn boarding card een raar nummer heeft. Zo te zien zitten we iets hoger in het schip dan gebruikelijk. We kiezen doorgaans goedkope binnenhutten met stapelbed, een raam is luxe.
Op het schip is het even zoeken waar we moeten zijn, maar dan zwaait een glazen deur open en biedt men een welkomstdrankje aan. Laten we zeggen dat Maurits onze hut iets geüpgradet heeft. “Stond opeens op de site voor een schappelijk bedrag.” Het is geloof ik de eerste keer dat ik gratis prosecco drink in een verschoten wandelbroek, mijn eeuwige geruite buitensportblouse en plat haar van twee weken muts dragen.
Bij het vertrek baadt Göteborg in roodgouden avondzonlicht en er waait een fris briesje. Het pakje reistabletten gaat dus ongeopend terug mee naar huis. We herinneren elkaar er tijdens het avondeten aan dat we thuis geen veerbootbuffet hebben. Misschien is dat maar goed ook, voeg ik toe als ik na het kaasplankje nog wat roompudding opschep. Voordat we morgen in Kiel zijn is er ook nog een ontbijtbuffet. Dat gaat ook al geen actieve dag worden, dan zitten we voornamelijk in de trein – en dan toch echt de trein naar huis.
Voor de statistieken:
treinen: 10
boten: 5 (+ 1 niet-verplaatsend exemplaar)
bussen: 15
trams: 4
metro: 1